Gedichten
101 
De Heer is mij tot hulp en sterkte:
Hij is mijn lied mijn psalmgezang.
Tel uw zegeningen,
tel ze één voor één.  

102 
Jezus, Uw verzoenend sterven,
blijft het rustpunt van ons hart.  

103 
Dan ga ik op tot Gods altaren.
Tot God, mijn God, de bron van vreugd.  

104 
Ik zie een poort wijd open staan
waardoor het licht komt stromen,
een poort waar 'k vrijelijk in mag gaan
om vrede te bekomen.  

105 
Zij is verlost.
God heeft haar welgedaan.  

106 
Ruwe stormen mogen woeden,
alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God, zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.  

107 
Vaste rots van mijn behoud.  

108 
Blijf bij mij Heer, want d'avond is nabij.  

109 
Veilig in Jezus' armen.  

110 
Wees maar niet bang wanneer de nacht zal komen.
Juist als het donker is, ben Ik je zeer nabij.
Ik wil mijn liefde over je doen stromen.
Mijn moede kind: Vertrouw je toe aan Mij.
Geef Mij je hand.
Ik durf je zo te vragen met Mij te gaan.
Ik zal je helper zijn.  

111 
Niemand leeft voor zichzelf.
Niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God, onze Heer,
aan Hem behoren wij toe.  

112 
Laat mij, o Heer,
mijn leven in Uw handen leggen.
En leer mij telkens weer:
"Uw Wil geschiede ..." zeggen.  

113 
Door de goede machten wonderbaar geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons in d'avond en de morgen
en zeer beslist op elke nieuwe dag.  

114 
En niet onverwacht
werd hij opnieuw geboren en getogen.
God heeft zijn licht ontstoken in de nacht en gaf hem een levend hart
en nieuwe ogen.  

115 
Je bent je weg gegaan,
in wind en tegenwind,
in licht en donker,
in voor- en tegenspoed.
Zo hebben wij elkaar ontmoet.
En toch, God droeg je in de palm van Zijn hand.
Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift.

Jesaja 49 :16  

116 
God heeft ons geen kalme reis beloofd,
maar wel een behouden aankomst in Jezus Christus.  

117 
Heer, leg Uw stille dauw van rust
op onze duisternis.
Neem van ons hart de vrees, de lust,
en maak ons innerlijk bewust
hoe schoon Uw vrede is.  

118 
"Ik weet aan wie ik mij vertrouwe, 
al wisselen ook dag en nacht.  
Ik ken de rots waarop ik bouwe:  
hij feilt niet, die Uw heil verwacht".  

119 
Neem, Heer, mijn beide handen
en leidt Uw kind
tot ik aan de eeuwige stranden
de ruste vind. 

120 
Veilig in Jezus’ armen. 

121 
Wees maar niet bang wanneer de nacht zal komen. 
Juist als het donker is, ben Ik je zeer nabij. 
Ik wil mijn liefde over je doen stromen. 
Mijn moede kind: Vertrouw je toe aan Mij. 
Geef Mij je hand 
Ik durf je zo te vragen met Mij te gaan. 
Ik zal je helper zijn. 
 
122 
Niemand leeft voor zichzelf. 
Niemand sterft voor zichzelf. 
Wij leven en sterven voor God, onze Heer, 
aan Hem behoren wij toe. 
 
123  
Laat mij, o Heer, 
 mijn leven in Uw handen leggen. 
En leer mij telkens weer: 
”Uw Wil geschiede ...” zeggen. 
 
124  
Door de goede machten wonderbaar geborgen 
verwachten wij getroost wat komen mag. 
God is met ons in d’ avond en de morgen 
en zeer beslist op elke nieuwe dag. 
 
125  
En niet onverwacht 
werd hij opnieuw geboren en getogen. 
God heeft zijn licht ontstoken in de nacht 
en gaf hem een levend hart 
en nieuwe ogen.