Gedichten
026 
Als de draad wordt doorgeknipt,
voel je pas de diepte van verbonden zijn,
voel je pas de pijn van verwond
en alleen te zijn.  

027 
Een glimlach om je mond
en je ogen die toch weten wie
mij het allerliefste was.
Die zal ik nooit vergeten.  

028 
Altijd zullen wij je weer tegenkomen.
Wij zeggen veel te vlug: het is voorbij.
Er is toch enkel maar je lichaam weggenomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.  

029 
Een vechter, zoals wij van je gewend
waren tot op het laatste moment.
Je was een man van weinig woorden,
duidelijk herkenbaar voor diegenen die bij je hoorden.
Een man, vader en opa waar je op kon bouwen,
met een woord waarop je kon vertrouwen.
Achter je ligt een leven van werken en plicht
en juist dat bepaalde in alles je gezicht.
Zo bescheiden ben je gestorven.  

030 
Zijn plaats is leeg.
Zijn stem is stil.
Een ieder die hem kende,
weet wat dit zeggen wil.  

031 
De grote strijd, van zovele jaren,
is voor jou voorgoed voorbij.
Het was heel zwaar, dat is te verklaren,
al waren wij dagelijks aan je zij.
Heel ver zijn wij met je meegegaan
totdat het niet meer kon.
Dit laatste moest je alleen doorstaan.
Je vocht en overwon!
Heel dapper heb je dit kruis gedragen,
je geloof gaf je moed en kracht.
Jaren van dragen, zonder klagen,
en zo heb jij je strijd
volbracht!  

032 
In stille dagen van woordloos klagen,
in eenzaamheid werden mijn gedachten
omhoog geleid en ik weet nu dat de dood
niet het einde is.  

033 
Herinner mij, maar niet in sombere dagen.
Herinner mij, in stralende zon,
hoe ik was, toen ik alles nog kon.


034 
Waar mensen, mensen zijn
die elkaar verstaan,
waar liefde, liefde is,
daarheen wil ik gaan;
waar het eeuwig vrede is,
waar de zon schijnt,
waar een nieuwe wereld is
die niet meer verdwijnt.  

035 
Al heeft zij ons verlaten,
zij laat ons nooit alleen.
Wat wij in haar bezaten,
is altijd om ons heen.
Als zonlicht om de bloemen,
een ieder goed gezind.
Teveel om op te noemen,
door iedereen bemind.  

036 
Als ik de dingen niet meer weet,
als ik de namen niet meer ken
en wat ik weet meteen vergeet
zodat ik onherkenbaar ben,
denk dan aan de weg door mij gegaan.
Zo heb ik het niet voor niets gedaan.

037 
Als je in je levensstrijd
warmte om je hebt verspreid,
als je iemand die daar treurt,
hebt getroost en opgebeurd,
als je hielp waar je het kon
aan wat licht en aan wat zon,
als je een goed voorbeeld geeft
heb je niet voor niets geleefd.  

038 
Boven de sterren verdwijnt eens het duister,
daar wordt eens alles ontraadseld, onthuld,
daar zal het lijden des harten eens zwichten,
daar wordt de vreugde eens blijvend vervuld.

039 
Eens breekt het koord,
en niets voorkomt een val.
Maar onder ons zijn eeuwige vaderarmen,
het vangnet van Zijn liefde en erbarmen,
waarin Hij ons voor eeuwig bergen zal.  

040 
God bewaart de namen,
liefdevol, zorgvuldig.
Hij oogst ze, bindt ze op Zijn hart.
En met ons aller namen
bouwt Hij de nieuwe dag,
waarop Hij zelf de tranen drogen zal
van wie vandaag nog huilen.  

041 
De mensen van voorbij,
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.
De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij.  

042 
Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.
Ik zal nog altijd grapjes met je maken.
We zullen samen door het stille landschap gaan.
Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken,
raak je mijn hart nog duidelijker aan.  

043 
Welgedaan en welgeleefd,
heengegaan en niet gebeefd.
Veel gelachen en geleden,
ook gehuild en vaak gebeden.
Soms getwijfeld, blijven hopen,
naar Gods glimlach toegelopen,
door de Heer bij de hand genomen,
bij de Here thuisgekomen.  

044 
Je bent niet dood, je mag voor eeuwig leven,
je bent verlost van onvolkomenheid,
van pijn en verdriet, God zal je geven
een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd.  

045 
God geeft aan ons.
Zijn liefde mee.
Het is een baken in de zee.
Een schuilhut tegen felle kou.
Een onderdak voor mij en jou.  

046 
Je hebt je strijd ten einde toe gestreden
tot God je riep, Hij nam je bij de hand.
Hij heeft geluisterd naar je vurige gebeden,
je stap voor stap geleid naar het beloofde land.
En naast de droefheid, die we moeten dragen,
is er het weten: God heeft je bevrijd;
Hij gaf ons niet het antwoord op ons vragen,
maar schonk ons uitzicht op Zijn Eeuwigheid.  

047 
Zijn leven moesten wij loslaten,
in ons leven houden wij hem vast.  

048 
Doodgaan is niet zo erg
kan zelfs bevrijdend zijn.
Afscheid nemen van allen
die je liefhebben,
dat doet pijn.  

049 
De dood bestaat niet.
De mensen sterven pas als ze vergeten zijn.
Zolang jij aan mij blijft denken,
zal ik altijd bij jou zijn.  

050 
Nooit vragen, nooit klagen,
alles altijd zelf dragen.